Er leeft een hardnekkige misvatting dat handicap iets ín een persoon is — een individuele tekortkoming.
Maar telkens opnieuw ervaar ik hoe de sociale context bepaalt of iemand zoals ik kan meedoen, groeien, werken, bijdragen.
Dat besef raakt me elke dag.
In de kleine momenten.
In de fricties die niemand ziet.
Ik zoek mijn weg, breng mijn talenten naar buiten, geef mijn ideeën vorm…
en toch voel ik me soms Don Quichot.
Vechtend tegen systemen die ooit bedoeld waren als steun,
maar me intussen vooral aan moedigen om thuis te blijven.
Men noemt me “inspirerend”, “geweldig”, “moedig”, “talentvol”.
Mooie woorden — zolang ik die kwaliteiten inzet als vrijwilliger
of als ondersteuning in het project van iemand zónder label.
Maar zodra het om mijn eigen project gaat, mijn eigen traject, mijn eigen droom,
bots ik op stigma’s, op structuren, op wetgeving,
op meningen van mensen die vinden dat ik geen plaats heb in het prototypische plaatje.
Het ene moment ben ik te gehandicapt.
Het andere moment onvoldoende gehandicapt.
Soms moeten mijn beschadigde ogen vooral uit beeld blijven.
Soms wordt me net aangeraden mijn blindheid uit te vergroten,
zodat men mijn veerkracht kan bewonderen.
Die slingerbeweging doet pijn.
Ze snijdt op plekken waar al littekens liggen.
Ze wringt zich tussen mijn ribben,
nestelt zich onder mijn huid.
Ze zegt: *je hoort in een hokje*.
Een hokje dat ik nooit koos,
dat ik onmogelijk kan omvormen,
en dat meer vertelt over de blik van anderen
dan over mijn eigen kunnen.
Blind zijn.
Opgroeien in een kwetsbaar gezin.
Levenskeuzes die vroeg bepaald werden door omstandigheden.
Geen eerlijke kansen krijgen omdat men heilig gelooft in **universitaire diploma’s**
terwijl ik nooit de mogelijkheid kreeg om die überhaupt te behalen.
Voor mijn moederschap vraagt niemand een behaald universitair diploma.
Mijn zorg, mijn aanwezigheid, mijn instinct
reiken verder dan mijn ogen ooit deden.
Mijn fysieke blindheid maakt mij geen zwakkere moeder.
Ze maakt me aandachtiger.
Bewuster.
Zachter in het waarnemen, scherper in het voelen.
En mijn kind leert dat liefde geen pupillen nodig heeft om te kunnen zien.
Toch wordt er beoordeeld door brillen van buitenaf —
door normen die geen idee hebben van onze realiteit,
onze kracht
en onze dagelijkse creativiteit
in een wereld die nauwelijks op ons afgestemd is.
Deze omstandigheden waren geen keuze.
Maar ze worden wél gebruikt om te bepalen wat ik waard ben,
hoe ver ik mag reiken
en welke ruimte ik krijg om te dromen.
Toch blijf ik bewegen.
Blijf ik creëren.
Blijf ik geloven dat mijn waarde niet voortkomt
uit systemen die moeite hebben om voorbij hun eigen bril te kijken.
Dit is geen klacht.
Dit is een uitnodiging.
Om anders te kijken.
Om te luisteren.
Om te begrijpen dat inclusie geen mooi woord is,
maar een dagelijkse beslissing —
één die bepaalt of mensen zoals ik kunnen meedoen
of opnieuw langs de kant belanden.
En toch, tussen al die tegenwind, is er dankbaarheid.
Voor dat handjevol mensen dat wél voorbij mijn fysieke blindzijn kijkt.
Die mij eerst en vooral zien als mens, als vrouw.
Mensen die me niet herleiden tot wat ontbreekt,
maar me omarmen om wat aanwezig is.
Die met hun eigen kracht handvaten reikten,
zachte duwtjes gaven
wanneer de wereld mijn weg leek te blokkeren.
Zij herinneren me eraan dat echte inclusie begint bij echte ontmoeting.
Dat één blik vol vertrouwen meer opent
dan duizend regels ooit kunnen sluiten.
Ik blijf kiezen voor mijn weg.
Ook wanneer de wind frontaal blaast.
En misschien is dat wel mijn grootste kracht:
dat ik, ondanks alles, blijf opstaan
in een wereld die mij liever zittend ziet.
Monique.
Hieronder een Radio-fragment uit De wereld van Sofie op Radio 1.
Inleiding:
Bijna nergens in Europa zijn zo weinig mensen met een handicap aan de slag als in België. “Dat komt vooral omdat we hen te veel bekijken als hulpbehoevend,” zegt Nina Boddin, beleidsmedewerker bij GRIP, een vzw voor Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap. “Daardoor hebben we hen opgesloten in aparte circuits in plaats van aan echte inclusie te doen.”